Ok, als het om afdalen op de racefiets gaat, ben ik misschien niet het allerbeste voorbeeld. Ik kocht mijn racefiets omdat ik met mijn stadsfiets de heuvels in Limburg niet op kwam. ERAF kwam ik echter prima, zelfs de Cauberg deed ik op deze fiets met alleen terugtraprem. Achteraf natuurlijk niet zo slim, maar het is misschien wel één van de beste tips voor iedereen die moeite heeft met afdalen: niet téveel nadenken! Na mijn klapband op de Zoncolan ben ik wel iets meer na gaan denken over dit onderwerp en heb ik heel veel bij geleerd. Vandaag zette ik mijn vijf belangrijkste lessen voor jou op een rijtje!

1. Blijven trappen

De afgelopen jaren volgde ik met Team Chickfietst een aantal clinics bij Harmen Scholtalbers. Harmen leerde me een belangrijke les: als je blijft trappen, verlaag je het zwaartepunt van je zadel naar je trappers en houden je banden grip op de weg. En dat betekent dus óók doortrappen terwijl je remt. De eerste paar keer voelde dat behoorlijk onnatuurlijk. Ik bedoel, je eerste reactie in een ‘gevaarlijke’ situatie is remmen én je benen stilhouden. Maar als je het eenmaal doorhebt, werkt het als een tierelier! (PS Als je harder dan ± 40 km per uur door een bocht afdaalt, trap dan niet door – je trappers kunnen dan namelijk de grond raken – maar houd je buitenste pedaal naar beneden en houd zoveel mogelijk druk op dat pedaal. Hierdoor zorg je wederom dat je zwaartepunt zoveel mogelijk bij je trappers ligt.)

2. Jij bepaalt waar jouw fiets naartoe gaat (mentaal)

Zoals ik in de inleiding al suggereerde, is een deel van het geheim van afdalen op de racefiets voor mij ook een mentale kwestie. Als je dan toch na wil denken over wat je doet, gebruik dan ‘sturende’ gedachten. (En handelingen, maar daar kom ik zo bij punt 3 op terug). Het klinkt misschien een beetje vreemd, maar als ik denk ‘Ik bepaal waar mijn fiets naartoe gaat’ dan lukt het afdalen (en bochten) al een stuk beter. Probeer het maar eens. Als je daarbij dan ook nog eens de ‘ lijn’ die je wil nemen voor je ziet, ofwel de weg die je fiets een paar seconden later af zal gaan nemen, dan ben je er al voor de helft.

3. Vertel je fiets waar ‘ie naartoe moet (technisch)

Nu denk je misschien ‘Ja leuk Kim, dat ‘gedenk’, maar is het niet gewoon een kwestie van doen?’. Klopt! En dat doen betekent dus dat JIJ iets doet. Het betekent NIET dat jij reageert op wat je fiets doet, maar je fiets reageert op wat jij doet! Als je dus de lijn voor je ziet die je zou willen rijden zoals bij mijn tweede tip, dan ‘dwing’ je vervolgens jouw fiets ook om die lijn te volgen. Ik besef me dat dat misschien makkelijker klinkt dan het gedaan is. Oefen daarom eens op een heel klein parcours (rondje of achtje) met het maken van bochten. Duw daarbij je stuur de bocht in, van je af. Dat betekent dus dat je lichaam niet meebeweegt de bocht in, maar juist van de bocht af.

Noot: Dit werkt voor mij in de afdaling het fijnst als ik met mijn handen in de beugels zit. Wanneer je dit standaard doet in de afdaling, zorg je er daarnaast voor dat je handen niet – terwijl je op hoge snelheid naar beneden suist – van je stuur af kunnen stuiteren als je over een hobbel (steen, tak, gat in de weg) rijdt. In Spanje zie ik overigens ook heel veel locals met hun handen ‘gewoon’ bovenop het stuur in de afdaling. Maar zij zijn wel iets meer gewend aan afdalen, denk ik zo…

4. Durf te remmen

Als ik eerlijk ben, is remmen het ‘ding’ wat ervoor zorgt dat ik het afdalen op mijn racefiets zo spannend vind. Al ga ik 70 kilometer per uur, ik vind het niet eng, zolang de weg maar recht en overzichtelijk is. Maar zodra er een bocht komt, moet ik afremmen en dan gebeurt het… Na mijn klapband, welke veroorzaakt werd door mijn remgedrag, ben ik hier dan ook mee aan de slag gegaan. Ik heb altijd geleerd dat ik ‘pompend’ moet remmen. Toen ik net begon met fietsen, is mijn achterwiel namelijk een keer gaan slippen omdat ik te hard remde. En dat laat daarna dus wel uit je hoofd. Steeds een klein beetje remmen werd mijn stijl. En dat deed ik dan ook op die ‘fatale’ dag. (Ik schrijf ‘fataal’ tussen haakjes want ik kwam er met een flinke schaafwond op mijn elleboog vanaf). Ik remde steeds een beetje, waardoor mijn velg eigenlijk nooit echt goed de kans kreeg om af te koelen.

Een paar maanden na mijn klapband had ik in Bardonecchia een korte privé afdaalsessie met trainer Paul van Dam. Van hem (en later ook van Harmen) leerde ik weer harder te remmen. Als je een keer goed durft af te remmen, in plaats van steeds een beetje, kan je velg beter afkoelen en heb uiteindelijk ook meer controle. Het is hierbij wel cruciaal dat je dit 1) vóór de bocht doet, en 2) dat je blijft zorgen voor druk op je pedalen, bijvoorbeeld door te blijven trappen. Dit is voor mij nu nog wel het lastigste punt als het om afdalen gaat hoor. Zo vaak daal ik ook niet af op hoge snelheid hier op de Veluwe.

PS Ik wil je niet bang maken met mijn verhaal over mijn klapband. In mijn geval kregen er maar liefst vijf mensen uit mijn groep een klapband. De afdaling was echt extreem (lees: 27% dalingspercentage, continue haarspeldbochten en koeienvlaaien op de weg) en het was ook nog eens zo’n 34 graden. Onder normale omstandigheden is de kans dat dit gebeurt – mits je materiaal in orde is – erg klein.

5. Ontspan

Last but not least, en eigenlijk ook een beetje terugkomend op wat ik al in de inleiding van dit blog zei: maak je niet té druk als je gaat afdalen op de racefiets. Een verkrampte houding zorgt ervoor dat jij jouw fiets niet goed meer kunt sturen. En als je hersens in de kramp schieten, kun je niet goed meer nadenken over jouw taktiek om die afdaling te lijf te gaan. Probeer voordat je de afdaling in gaat te denken aan hoe je gaat genieten van de snelheid van je racefiets en van de mooie omgeving. Voor je het doorhebt, ga je dan nog echt genieten ook 😉

Afdalen racefiets