Het afgelopen weekend fietste ik de Tecklenburg Rundfahrt in Duitsland. Na een ritje in de stralende zon op vrijdag hadden Giro di Kika teamgenootje Jessica en ik echt zin in die 190 pittige kilometers met stijgingspercentages boven de 20%. Kom maar op! Om 07.00 uur zaten we al op de fiets. Bij vertrek twijfelden we of we vanwege de frisse ochtend nog een jasje en/of overschoenen aan zouden trekken. We besloten deze ‘overbodige kledingstukken’ thuis te laten, want de rest van de dag zou dit alleen maar in de weg zitten. Het zou immers toch weer zulk mooi weer worden….

Tijdens de eerste vlakke kilometers naar de start was het wel fris, maar het was te doen. Zie je wel, dit was gewoon net zoals tijdens de Amstel Gold Race. Toen was het ’s ochtends ook nog fris, maar in de loop van de dag werd het beter. Vrijwel gelijk na de start begon het al te miezeren. Dat was vast een ochtendbuitje. Even dacht ik ‘Had ik toch maar dat regenjasje meegenomen’, maar op momenten dat het droger werd vroeg ik me alweer af waarom die wielrenners dat jasje niet gewoon uit deden.

Op dat moment maakte ik me drukker om de beklimmingen die zouden gaan komen. Van tevoren had ik gelezen dat we onderweg regelmatig een klim van boven de 20% tegen zouden komen en de eerste diende zich al vrij snel aan. Oef, dat was pittig. Gelukkig werden de beklimmingen van tevoren aangegeven door middel van een bord met het minimale en maximale stijgingspercentage. Telkens als ik zo’n bord voor me op zag doemen vlogen mijn ogen naar dat ene laatste cijfer… En elke keer als dat niet met een 2 begon haalde ik opgelucht adem.

Het werd droger. We genoten van het prachtige glooiende landschap tussen de klimmetjes door. Op een zonnige dag was het hier vast prachtig met die velden vol gele gewassen. Later vandaag zou de zon nog wel gaan schijnen en dan zouden wij er ook nog van kunnen genieten. Het was nog geen 10 uur. Na de eerste 30 kilometer – en een pittig stuk van 21% – volgde de eerste bevoorrading. Er werd goed voor ons gezorgd met bananen, ontbijtkoek, krentenbollen, stroopwafels, sportdrank en een last but not least een toilet. Uiteindelijk bleek er tijdens de gehele tocht elke 30 kilometer een stop te zijn met eten. Heerlijk en broodnodig, want ik had ongeveer na elke klim weer behoefte aan eten.

Toen werd het middag. De regendruppels werden groter en vielen nu aan één stuk door uit de lucht. Ik dacht nu niet meer alleen aan dat regenjasje, maar ook ‘Had ik maar die overschoenen aangetrokken’. Ze lagen gewoon in de hotelkamer, niet zo heel ver hier vandaan…. Ik was niet de enige die dit dacht. Tijdens een klim kwam er lachend een man naast me rijden die zei dat hij zijn regenjasje in de auto had laten liggen. Zelfspot en daarna gewoon weer doorgaan. Daar zijn wij wielrenners goed in. Jessica en ik lachten om de regendruppels op mijn bril. Ik zag de hele wereld met stippeltjes, maar ik kon er nog wel doorheen kijken dus hij ging gewoon weer op.

Twee uur. Het had al minimaal een uur bijna onophoudend geregend. Of misschien leek dat maar zo. De regen en de route werden één grote brei die aan me voorbij trok. Langzaam schakelde ik over van lekker fietsen naar overleven. Niet teveel nadenken – en al zeker niet aan die klim van 25% aan het eind – en doorfietsen. Mijn beenstukken waren doorweekt en het water sijpelde mijn schoenen in. Mijn voeten werden kouder. Voor vertrek naar Duitsland had ik nog een rol aluminiumfolie in mijn weekendtas gestopt. Had ik maar…
Maar Jessica ging door, dus ik zou ook doorgaan. Om half drie durfde ik de vraag die al een tijdje door mijn hoofd spookte eindelijk aan Jessica te stellen: ‘Hoe graag wil je die 160 kilometer vol maken?’. Ik voegde daar aan toe ‘ook met het oog op jouw knieklachten’, wetende dat ik Jessica daarmee eerder over zou halen om te stoppen. Zwakkeling. Gelukkig was ze het met me eens. Bij de eerste splitsing zouden we kijken of we verder gingen.

Bij die eerste splitsing vergat ik dat we zouden stoppen. We zaten in een afdaling en ik trapte het liefste zo hard mogelijk door om het niet nog kouder te krijgen. Achter me hoorde ik Jessica roepen ‘Hee, we zouden toch stoppen om te kijken?’. Hoorde ik nu aan de stem van Jessica dat zij het ook zat was? Wilde zelfs Jessica – een echte doorzetter – opgeven? De remmen van Jessica bleken niet goed meer te werken. Stoppen met de tocht was nu echt noodzakelijk. Gelukkig, dan hoefden we niet op te geven omdat we niet meer konden. Het was het materiaal dat ons tegen hield… Met handen zo koud – want: zomerhandschoenen – dat ze tintelden en ik zelf ook bijna niet meer kon remmen zochten we de kortste vlakke route naar het hotel. Het was genoeg geweest. Onderweg deden we al lachend een dierennamenspelletje om elkaar door de laatste kilometers te helpen. Je moet er toch nog wat van maken hè, want wielrenners, die klagen niet ;-).

Met 144 kilometer op de teller kwamen we uiteindelijk terug bij het hotel. Terwijl ik rillend in mijn dikke piama onder het dekbed wachtte tot de douche vrij was dacht ik geen moment ‘Had ik maar die 190 kilometer uitgereden…’. Wij wielrenners zijn een eigenwijs volkje dat niet graag opgeeft, maar sóms is het verstandiger om wél op te geven.

PS Na de warme douche poetsten we voor het hotel netjes onze fietsen schoon en droog. Want hee, echte wielrenners zorgen goed voor hun materiaal hè 😉

Mijn rit op Strava.