Geflikt door een berg. Na de eerste kilometers als een koffiemolentje met wind mee percentages van tegen de 10% te hebben verslonden, zie ik op een bord dat de komende zes kilometer 850 meter omhoog gaat naar 1850 meter. Oef, dan krijgen we het de komende kilometers zwaar. Maar, daarna kan het dan nooit meer zo erg zijn. Lijdzaam onderga ik de stukken van 11, 12 en 13 procent die ik vervolgens voor mijn kiezen krijg. Als we nog een kilometer of 10 te gaan hebben vlakt het af. Zie je wel. Maar dan flikt de berg me. Ineens dalen we een stuk af en geeft mijn Garmin toch weer regelmatig de 10% aan. Als ik zeg dat ik hem minder zwaar vind dan de Alpe d’Huez, gooit die berg er de laatste vijf kilometer nog een keer flink wat stukken van 11% en steiler tegenaan, mét tegenwind. Maar toch was ik ‘m te slim af, die Passo San Marco, en kwam ik met een sprintje en handen in de lucht boven.

De dag na onze rit rondom het Comomeer besluiten we voor ‘het echte werk’ te gaan. Hartstikke leuk dat je, terwijl je van je cappuccino geniet van het uitzicht over het meer, kunt zeggen dat je daar aan de overkant hebt gefietst, maar in Nederland kun je ook zo’n vlakke rit maken. We zijn hier natuurlijk voor de bergpassen, de echte hoge bergen, of zoals ‘wij wielrenners’ ze noemen ‘De Cols’. En als we er dan toch eentje op gaan fietsen, dan nemen we er gelijk eentje van de buitencategorie. Voor de niet-wielrenners onder ons – mijn familie & vrienden lezen ook mee – bergen die in deze categorie vallen hebben een minimale stijging van 1.000 meter en een gemiddeld stijgingspercentage van 7% en daarmee is de buitencategorie de zwaarste categorie. En ja, volgende week tijdens de Giro di Kika staan er ook een paar op het programma, maar het is gewoon hartstikke leuk om drie uur lang jezelf af te beulen om 26 kilometer verder bij een bordje met je fiets in de lucht op de foto te kunnen. Ja echt.

Op de eerste dag dat we in Italië zijn vertelt Bram van Comomeerappartementen.nl ons over de mogelijke routes die we hier kunnen fietsen. Zodra het woord ‘Col’ valt, weet ik al dat dat hem wordt. Bram vertelt nog uitgebreid over andere routes, en stuurt zelfs nog wat links van routes, maar ik kan alleen maar denken ‘ik wil 26 kilometer lang klimmen’. Ja echt. Dat hij het over een buitencategorie klim had, dat wist ik pas nadat ik hem beklommen had. Dat kun je dan ook beter pas na afloop weten… De avond van tevoren bekijkt mijn vriend de route en de stijgingspercentages. Ik kijk met een half oog mee, want eigenlijk wil ik niet teveel weten voordat ik aan zoiets begin. Op Strava (een app waarmee je je tijden op bepaalde routes kunt vergelijken met die van anderen) zie ik dat de Queen of the Mountain, een Italiaanse, de berg in 1 uur en 58 minuten heeft beklommen. Dat moet toch te doen zijn, denk ik dan nog. Als ik nu mijn hartslagmeter om doe en net onder mijn omslagpunt (het punt waarop je hartslag zo hoog is dat je benen gaan blokkeren), dan moet ik een scherpe tijd neer kunnen zetten. In de auto op weg naar een dorpje op 10 kilometer van de voet, stijgt de spanning. Zal het me lukken om zo kneiterhard te fietsen?

ChickfietstKlimmen Italië

Op weg naar de voet blijkt dat mijn hartslagmeter die het zojuist in de auto nog deed (en waar ik vlak voor deze reis nog een nieuwe batterij in had gedaan), het niet meer deed. Ik voel lichte paniek, maar dan denk ik aan al die trainingen bij The Cycling Academy. Ik heb er geleerd om op gevoel onder mijn omslagpunt te blijven – voor het geval je hartslagmeter uitvalt – en besluit daarop te vertrouwen. Mijn hartslag schiet op de weg naar de voet sowieso al omhoog, want ook op deze weg razen de vrachtwagens langs ons heen. We fietsen het stadje Morbegno in en missen in eerste instantie de afslag naar de voet van de berg. De voet doet me denken aan de Croix de Fer (nog zo’n ‘Col’): ook deze berg heeft geen lange aanloop, maar schiet hij gelijk zigzaggende omhoog met een hekje aan de rand.

De klim begint goed. Ik zie de percentages variëren van 5 tot 9 procent, maar met wind mee lukt het me aardig ‘als een koffiemolentje’ omhoog te fietsen. Het is wel heet, bloedverziekend heet. Om deze berg binnen 2 uur te beklimmen moet ik gemiddeld 13 kilometer per uur fietsen. Al snel zie ik dat dit niet gaat lukken. Joh… Ik besluit de klim dan maar in mijn eigen tempo te lijf te gaan. De pijn in mijn rug speelt na amper een half uur klimmen alweer op, dus ik besluit de klim in stukjes van 30 minuten op te delen. Zes-en-twintig kilometer is ook wel erg lang om in één keer te doen. Elke keer maar 30 minuten vooruit kijken maakt de berg het behapbaar. Elke 30 minuten stap ik dan ook af om mijn rug te strekken en wat te eten en te drinken. Zo komen we er wel…

VrouwenwielrennenItalië wielrennen

Vlak voor de tweede stop ben ik op 1.000 meter hoogte, de helft. (Hoewel we waarschijnlijk wel wat hoger gestart zijn dan op 0 meter). Een bord geeft aan dat daar de komende zes kilometer 850 hoogtemeters bij komen. Dat zijn dan waarschijnlijk zes hele steile kilometers, maar dan kan het de laatste tien kilometer daarna nooit meer heel zwaar zijn want de top ligt op 2.000 meter. Niet lang daarna kruipen mijn 25 millimeter bandjes over steile stukken asfalt. Niks geen koffiemolentje meer. Ik stem mijn tred af op mijn ademhaling en houd de kilometers op mijn teller in de gaten. Nog maar zes kilometer en dan is dit over.

Onderweg geniet ik van het uitzicht. Op de eerste helft van de klim keek ik uit over Morbegno en zag ik in de verte zelfs het Comomeer liggen. In de verte zie ik de besneeuwde toppen van een nog hogere berg. Ik passeer enkele bergdorpjes en dan worden de wegen stiller en het uitzicht eentoniger. Overal waar ik kijk zie ik groen. Groene bomen, groene toppen en groene dalen. En geel, gemaaid gras. Onderweg kom ik vooral mannen tegen die op steile heuvels het droge gras maaien en met een hark verzamelen. Op één van de steilere stukken zie ik een echtpaar zich samen om het gras bekommeren. Als klein kind zat ik zelf regelmatig bovenop de wagen vol hooibalen van mijn opa. Al in de jaren ’80 maaide mijn opa zijn land met behulp van machines. Dat het hier met de hand gaat – geen tractor die tegen deze steile wanden op kan komen – roept mijn bewondering op. Ik stop om een foto te maken en de man komt naar me toe. Hij zegt iets tegen me, waarschijnlijk een plaatsnaam. Ik antwoord met ‘Passo San Marco’. Hij kijkt me even met grote ogen aan en schudt dan zijn hoofd. Wederzijds respect, maar toch verdient hij meer respect. Hij doet dit werk immers elke dag en ik fiets hier voor mijn lol. Bovendien, dadelijk wordt het minder zwaar en wordt het pas echt genieten.

Comomeer fietsenPasso San Marco

 

De klim vlakt af. De stukken waar ik nu overheen fiets van twee à drie procent voelen niet eens meer als klimmen. Het is zelfs een stukje vlak. En dan… een afdaling. Wat is dit? Heb ik net dat hele stuk dan voor niks omhoog gefietst? Wordt het straks dan toch nog zwaar? De percentages gaan al snel weer richting de 10%. Heel even voel ik me geflikt door die berg, maar als dit het is dan gaat het wel. Ik zeg nog dat ik hem minder zwaar vind dan de Alpe d’Huez (maar toen had ik ook minder getraind).

Het stuk daarna is een grote brei; ik herinner de details een stuk minder goed en het lijkt eindeloos te duren. De boomgrens houdt op, het wordt kouder en de percentages komen nu niet meer onder de 10%. Nu voel ik me echt geflikt. In het begin van de klim had ik nog niet door dat de bordjes langs de kant van de weg de kilometers aan gaven, maar nu begin ik uit te kijken naar de bordjes. 22 kilometer, 23 kilometer. Als het zwaar wordt dan doe ik altijd ABC-spelletjes met mezelf. Plaatsnamen, dierennamen, het maakt niet uit, zolang mijn hersenen maar geen ruimte hebben om na te denken over wat ik hier aan het doen ben. Amsterdam, Madrid, Deventer, Rotterdam, Monaco, O… denk, denk, denk… Wat ben je aan het doen?, vraagt mijn vriend die weer even bij me komt rijden… Oegstgeest… mompel ik. Hij kent me inmiddels en fietst weer verder.

Top Passo San MarcoEnergie gel wielrennen

Het bordje van 24 kilometer: nog maar twee te gaan! Hoewel ik elk half uur heb gegeten en bijna drie bidons leeg heb gedronken, voel ik de energie uit mijn benen lopen. Het is nog maar twee kilometer, maar ik moet nog iets hebben. Er is hier echter geen enkel vlak stuk, als ik nu afstap, dan kom ik nooit meer terug op de fiets. Na een bocht zie ik ineens een kleine inham. Mijn kans! Ik strompel van mijn fiets en graai het gelletje met dubbele cafeïne uit mijn achterzakje. Wat ben ik nu blij dat ik die toch mee heb genomen. Gretig duw ik de dikke vloeistof uit de verpakking, rechtstreeks mijn mond in. Bij elke hap neem ik een flinke slok water. Ik stroop de verpakking op zodat ook het laatste beetje energiegel niet verloren gaat. Ik stap weer op en steek schuin de weg over om wat vaart te maken. Mislukt. Het lukt me niet om op te stappen. Dan maar weer terug naar die inham. Ik pak mijn fiets op en loop weer terug. Nog een keer. Het lukt. Ik voel gelijk de werking van het gelletje. Vol vertrouwen begeef ik mij naar de mistige top van deze Col. Daar staat dat bruine bord met die witte letters. Dat bord waar ik zo met mijn fiets in de lucht een foto zal maken. Ik moet en zal het halen.

Buitencategorie cols ItaliëPasso San Marco Italië

Aan de top staat mijn vriend klaar om foto’s te maken. Voor het eerst in mijn leven durf ik mijn handen in de lucht te steken als ik over de streep met ‘Arrivo’ kom. Heel kort maar, en te kort voor zijn langzame camera. Jammer, dan de volgende keer nog maar een keer proberen. Snel maakt mijn vriend dé foto voor het bord. Het is hier koud en op twee motorrijders na is hier niemand. Na deze overwinning wacht de echte beloning: de afdaling! Met bijna 65 kilometer per uur – daarna voelt het echt als té hard – suis ik de lange rechte stukken, die ik zojuist met moeite heb beklommen, af. Mijn nekspieren verkrampen en verlangen naar de warmte beneden. Zodra ik de eerste zonnestralen weer voel geniet ik.

Fietsen in ItaliëPasso San Marco

De cafeïne blijkt ook nuttig voor de afdaling. Op de weg naar de top was de weg op meerdere plekken opgebroken en lag er in sommige bochten veel stenen. Opletten dus. Ook rijden de Italianen als gekken en nemen nog wel eens een binnenbocht of buitenbocht. De laatste tien kilometer van de afdaling is de helft van de weg opgebroken. Op de heenweg moesten we al regelmatig in deze ‘goot’ (zie foto’s) springen, maar met een vaartje wordt dit nog spannender. Vlak voor een bocht met aan mijn kant de opbreking komt er ineens een bus om de hoek. Net op tijd rijd ik de goot in. De hobbels trillen door mijn handen en armen door naar mijn nek en ik ben dan ook blij als ik eenmaal beneden heel even mijn lijf kan ontspannen. Mijn vriend heeft een lichtelijke hongerklop en scoort voor ons twee Mars repen. Wat smaakt dat toch goddelijk na zo’n beproeving. En eigenlijk is dat met alles na zo’n klim. De herstelshake uit de koelbox, de warme douche en de foto’s. Na afloop is het genieten. Misschien nog wel meer dan tijdens zo’n klim 😉 Mijn benen, die hebben de test doorstaan. Kom maar op met die Giro di Kika!